Nationaal Landschap Noardelijke Fryske Walden
Elzensingels
Elzensingels die landbouwpercelen van verschillende grootte opdelen in strakke geometrische vlakken. Dat doet on-Fries aan. Ook het systeem van evenwijdig lopende en dicht op elkaar liggende wijken waarover turf werd afgevoerd, doet eerder aan Drenthe denken. Maar het is allemaal te vinden in het oosten van Friesland, op de grens met Groningen. Even buiten Drachten strekt dit fijnmazige veenontginningslandschap zich uit, compleet met keuterboerderijen en pingoruïnes.
Mieden
Op de noordwestelijke helling van het Drents Plateau is in lang vervlogen tijden begonnen met de ontginning van dit gebied. In lange smalle stroken ging men het veen te lijf. Elk perceel had een kenmerkende verhouding tussen lengte en breedte, afhankelijk van de tijd van ontginning. Nu eens waren ze drie keer zo lang als breed, dan weer vijf keer, maar er zijn ook, bijna vierkante percelen. Op de perceelgrenzen werden bomen geplant, of kwamen de elzen spontaan op in de slootkant. Nergens in ons land is dit strokenpatroon, met een dergelijke dichtheid, zo gaaf bewaard gebleven als hier. De tussengelegen lagere, boomloze gebieden worden hier mieden genoemd en zijn nu veelal natuurreservaat met herkenbare opstrekkend percelen.
Dijkswallen
Het kerngebied met dijkswallen (houtwallen op aarden lichamen) ligt in de strook tussen Eastermar (Oostermeer) en Buitenpost. Hier ook liggen de dorpen Drogeham – afgeleid van de ligging op een hogere zandrug die bescherming bood tegen hoge waterstanden – en Twijzel met hun karakteristieke lintbebouwing, terwijl nabij gelegen dorpen (Jistrum) Eestrum en Eastermar juist weer een typische esdorpenstructuur hebben.
Plaatselijk zijn landgoederen gesticht, zoals die van Veenklooster met een zekere concentratie in de Trynwâlden bij Aldtsjerk en Oentsjerk.
Smalle vaarten
Zuidelijker, bij Drachtstercompagnie, zijn nog altijd de wijken – de smalle vaarten – te vinden, die herinneren aan het veenkoloniale verleden. Nergens anders in Nederland is dit systeem dat zo kenmerkend is voor de ontginning van het hoogveen, intact gebleven.
Pingos
In de Noardlike Fryske Wâlden komen ook pingoruïnes voor, al blijven die vindplaatsen beperkt tot die delen die door landijs bedekt zijn geweest. Zo’n overblijfsel van een pingo is een herinnering aan een ondergrondse ijsmassa die zich aan het einde van de ijstijd naar boven heeft gewerkt en daarbij de grond omhoog heeft gedrukt. Op den duur is de grond er van afgegleden en na het smelten van het landijs bleef een meertje, omgeven door een aarden wal, over: de pingoruïne. Tussen Zwaagwesteinde en Surhuisterveen is een concentratie van deze aardkundige verschijnselen. Juist op de aarden ringwal rond deze pingoruïnes worden vaak prehistorische bewoningssporen aangetroffen.